Hoe kunnen jongeren bij de politiek worden betrokken?

Jongeren praten op twee manieren over politiek: zij noemen politiek belangrijk en saai tegelijk. Jongeren vinden dat politiek belangrijk en serieus is, dat burgers moeten gaan stemmen en over hun stem moeten nadenken, dat discussie belangrijk is en dat politieke educatie hoog op de agenda moet staan. Jongeren weten wat er in politiek opzicht van hen wordt verwacht.

Maar er is ook een tweede kant. Jongeren vinden politiek eveneens saai, vervelend, suf en oninteressant. Politiek ziet er saai uit, politici zijn oud, gesprekken over politiek langdradig en bij politiek op televisie zappen ze weg. Het is vreemd om politiek actief te zijn. Politiek actieve jongeren herkennen dit perspectief wel bij veel andere jongeren, maar zijn het er niet mee eens. Voor hen is politiek belangrijk en niet saai.

Twee processen
We kunnen nu twee processen onderscheiden hoe jongeren politiek betrokken raken. Bij politiek inactieven jongeren is er een vicieuze cirkel: ze vinden politiek belangrijk en saai, en reageren allergisch op politiek. Ze komen weinig met politiek in aanraking, doen daardoor nauwelijks politieke kennis op, komen niet tot nieuwe inzichten over politiek en worden niet actiever.

Bij politiek actieve jongeren is het proces ongeveer tegengesteld aan het proces bij inactieve leeftijdsgenoten. Bij actieve jongeren is er een deugdzame cirkel: ze vinden politiek belangrijk, zoeken politiek om die reden op, krijgen meer kennis over politiek, hun interesse wordt aangewakkerd en de kans is groot dat ze daardoor komen tot nieuwe activiteiten. Als we vanuit dit perspectief kijken naar activiteiten die worden ondernomen om jongeren bij de politiek te betrekken, ontstaat er geen positief beeld. Er zijn globaal zes mogelijkheden.

Jongerenparticipatie
Jongerenraden worden ingesteld bij gemeenten en provincies om jongeren invloed te geven op lokale en provinciale politiek. Ambtenaren zijn er vaak enthousiast over, maar jongeren minder. De percentages jongeren die hieraan deelnemen zijn zeer laag. De groep jongeren die erop afkomt is bovendien eenzijdig. Dat is niet verrassend want deze raden zijn een kopie van de echte politiek, en die vinden jongeren meestal saai.

Politieke partijen hebben jongerenorganisaties. Hun aantallen leden zijn eveneens laag, en zelfs lager dan die bij jongerenraden. Alleen de SGP heeft een grote jongerenorganisatie. Ook dit lijkt op echte politiek en trekt alleen jongeren die al betrokken waren. Dit is zinvol voor politieke partijen, maar niet als politieke educatie.

Internet
Er zijn veel internetsites die jongeren proberen aan te spreken met politieke thema’s en digitale debatten. De meeste jongeren doen echter niet aan digitale discussies en gebruiken internet voor andere doeleinden. Jongeren zijn wel op internet aanwezig, maar niet op deze websites. Discussies moeten voor jongeren een doel hebben, en die hebben internetdiscussies vaak niet.

Politici zitten op sociale media als Hyves, en houden daar blogs bij en maken online vrienden met hun achterban. Ook deze vriendenaantallen zijn laag. Dit trekt een specifiek publiek omdat de meeste jongeren niet op zoek gaan naar politieke informatie. Als jongeren informatie willen, moet die inhoudelijker en diepgaander zijn dan de informatie die op Hyves te vinden is. Zij hebben ook niet zoveel behoefte aan contact met politici.

Popularisering
Coolpolitics is een stichting die jongeren met debatten bij de politiek betrekt op plaatsen waar al veel jongeren komen zoals op festivals als Lowlands. Jongeren komen daar dan wel op af omdat ze er al aanwezig zijn, maar ook dit is een specifieke groep en is alleen succesvol op relevante tijdstippen, zoals rond verkiezingen. Ook is de vraag hoe politiek deze discussies echt zijn.

Lijst Nul is een initiatief van BNN om jongeren bij de politiek te betrekken door middel van een vlot jongerenprogramma. Meer dan de helft kent dit programma niet en vrijwel geen enkele jongere kijkt er elke week naar. De kijkers zijn relatief betrokken bij politiek en dus wordt weer een specifieke doelgroep aangetrokken. Men denkt dat het programma vooral goed is voor anderen.

Al met al werken de meeste methoden dus niet, omdat men een doelgroep bereikt die al interesse in politiek heeft en niet de doelgroep die deze interesse nog moet krijgen. Dit is consistent met het beeld dat de al geïnteresseerde jongeren steeds meer ervaringen met politiek opdoen, terwijl veel andere jongeren buiten beeld blijven. Kan dit anders? Er zijn vier richtingen om over na te denken.

Vier denkrichtingen
1. Politici, journalisten en docenten moeten hun verwachtingen over jongeren bijstellen. Jongeren zijn druk met andere zaken en willen wel stemmen, maar zijn verder weinig betrokken. Ze willen ook de hoofdlijnen kennen, maar meestal vinden ze de details te saai. Ze vragen ook niet expliciet om inspraak. De vraag is daarmee: wat mogen we echt van deze groep verwachten?

2. Politiek moet op zichzelf interessanter worden, dit is de enige manier om meer jongeren aan te spreken. Dit gaat vooral over hun beeld dat politiek saai is. Er moeten andere politici komen die anders praten, minder bestuurlijk zijn ingesteld en duidelijkere visies formuleren in debatten op hoofdlijnen. Fortuyn was hier een goed voorbeeld van: hij sprak veel inactieve jongeren wel aan.

3. Er wordt in het debat over jongeren te veel uitgegaan van het eigen initiatief van deze leeftijdsgroep. Veel initiatieven hangen van het initiatief van jongeren af, terwijl zij dat initiatief niet tonen. Jongeren moeten vooral verplicht met politiek in aanraking komen, en niet vrijwillig. Jongeren vinden dat zelf ook prima. Dus: maatschappijleer doet ertoe.

4. Initiatieven van jongeren zouden ondersteund moeten worden: er moet vraaggericht worden gewerkt, in plaats van de huidige aanbodgerichte houding. Jongeren hebben vaak geen behoefte aan al die initiatieven van volwassenen, maar dat wil niet zeggen dat er onder jongeren zelf geen initiatieven opborrelen. Daar zou wel winst te behalen kunnen zijn.

Deze presentatie vond plaats bij de docentendag maatschappijleer van het Instituut voor Publiek en Politiek en de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer op 2 februari 2007. Beeld: jongeren op straat met hun mobiele telefoon (Pixabay).

 

SKILLS