Zijn eurosceptische partijen in Brussel wel relevant?

Eurosceptische partijen zijn al jaren vertegenwoordigd in het Europees Parlement. In Nederland denken we dan meteen aan rechtse partijen als de PVV en Forum voor Democratie (FvD). In andere landen wordt ook op dit soort partijen gestemd, zoals Vlaams Belang, Front National en de Deense Volkspartij. In Brussel maken deze partijen deel uit van een wetgevingsmachine waarvan ze het bestaan afkeuren. Ze zijn immers tegen de EU. Wat is de relevantie van zulke partijen die toch een plekje in Brussel hebben? 

Eurosceptische partijen hebben vaak standpunten die ‘niet kunnen’. Ze willen bijvoorbeeld migratie beperken of de transferunie stoppen. Dat is moeilijk omdat dit allemaal heel ver van de huidige praktijk af staat. Ook de voorkeur voor directe democratie is op Europees niveau niet erg relevant: EU-brede referenda zouden meer macht voor de EU betekenen en dat willen deze partijen niet. De belangrijkste wensen van eurosceptici zijn dus onhaalbaar. Met veel van deze standpunten moet men vooral in de eigen hoofdstad zijn, niet in Brussel. 

Eurosceptici moeten in het Europees Parlement wel stemmen over allerlei detailwetgeving. Dat is lastig want over deze ‘kleine kwesties’ hebben ze nauwelijks standpunten. In het programma van FvD komen we er maar twee tegen: FvD is tegen de aanlandplicht – vissers moeten al hun gevangen vis aan land brengen – en tegen het recente verbod op pulsvisserij. Dit alles betekent dat FvD in de praktijk, net als veel collega-eurosceptici, carte blanche heeft omdat de partij niets aan de kiezer heeft beloofd over de thema’s waarover echt gestemd moet worden. 

Verplicht samenwerken

In het Europees Parlement moeten eurosceptici onderling samenwerken in grotere fracties die uit verschillende nationale partijen bestaan. Dit ligt vast in de interne regels van het Europees Parlement. Het is daarom geen optie om onafhankelijk te blijven en niet in zo’n Europese fractie te gaan zitten, omdat je dan niet in aanmerking komt voor functies en alleen kunt stemmen en verklaringen kunt oplezen. 

De vraag bij wie een nationale, eurosceptische fractie zich moet aansluiten is niet eenvoudig. Europese fracties met een eurosceptisch profiel zijn nooit een lang leven beschoren en wisselen continu van samenstelling. Een reden is hun inhoudelijke verdeeldheid. Sommige eurosceptici willen de hele EU ontmantelen, anderen hebben alleen kritiek op specifiek Europees beleid. Veel reden voor onenigheid dus, die vaak wordt opgelost door geen fractiediscipline te hanteren. Dit zet eurosceptici in onderhandelingen echter op achterstand, omdat ze nooit weten hoeveel leden van hun Europese fractie voor of tegen een voorstel zullen stemmen. 

Onderzoek laat zien dat het nationale partijen gaat om ‘een respectabel huwelijk’ op Europees niveau. De vraag is wat de Europese fractie uitstraalt naar eigen land. Eurosceptische partijen die acceptabel willen zijn gaan voor ‘een zo net mogelijke fractie’. Dat is momenteel ECR, omdat die ooit werd opgericht door de Britse Conservatieven. FvD is hier onderdeel van. ECR is ‘netter’ dan ID, de fractie rond Marine le Pen, van het Franse Front National. Hier is de PVV bij aangehaakt. 

Wat valt er te bereiken? 

Het belangrijkste wat een Europarlementariër kan bereiken is het vinden van een meerderheid voor een rapport met een bepaald standpunt. Zo’n rapport moet je wel eerst mogen schrijven. Een voorbeeld is Judith Sargentini (GroenLinks) die werkte aan het Hongarije-dossier. Dit was een succes: inhoudelijk, in de media én naar de achterban. Voor eurosceptici zit dit er niet in: ze krijgen geen belangrijke rapporten en kunnen met een eurosceptisch rapport wat de eigen achterban aanspreekt nooit een meerderheid halen. Bovendien is de vraag of een rapport überhaupt aansprekend kan zijn voor hun kiezers. 

Eurosceptici kunnen ook meepraten over rapporten van anderen. Hierbij is het de bedoeling deals te sluiten met andere fracties over bijvoorbeeld amendementen en zo het rapport in eigen richting bij te sturen. Dit is echter lastig omdat eurosceptische fracties geen fractiediscipline kennen en dus ‘onbetrouwbaar’ zijn. Eurofiele fracties die wel fractiediscipline kennen zijn betrouwbaarder en zijn het bovendien sneller met elkaar eens dan dat ze met eurosceptici moeten gaan praten.

Dan zijn er de stemmingen. De vraag is hier of eurosceptische fracties een rechtse, kritische meerderheid mogelijk kunnen maken. Dit kan alleen als de christendemocratische EVP hieraan meewerkt. In dat geval ontstaat er op een paar zetels na net geen meerderheid van EVP, ECR, ID en de niet bij een fractie ingeschreven leden. Dit is een onwaarschijnlijke mogelijkheid: deze net-niet-meerderheid kan alleen ontstaan als er geen nieuwe regels ingevoerd hoeven te worden, want dan stemmen eurosceptici sowieso tegen. Dan moeten de christendemocraten dus altijd ‘over links’.

Het enige wat eurosceptici daarom rest is het bespelen van de publieke opinie. Ze kunnen monitoren wat er in het Europees Parlement gebeurt en daar kritiek op uiten via hun eigen sociale media-kanalen. Ze kunnen tevens met moties, vragen en speeches proberen aandacht te genereren van de reguliere media. Zo veranderen ze beleid helemaal niet, maar wellicht dat de publieke opinie op den duur wel in hun voordeel uitvalt. Voor hen is het allemaal een zaak van de lange adem. 

Deze lezing werd gehouden op 27 januari 2020 aan de Haagse Hogeschool bij het Creu-event: de jaarlijkse dag van het lectoraat Changing Role of Europe (CREU) waarbij onderzoekers in gesprek gaan met de praktijk. Beeld: poster van de eurosceptische UPR in Lannion, Bretagne (Chris Aalberts).